Op de derde ochtend plaatste Chiara een kleine doorzichtige doolhof in de tank. In het midden lag krabvlees. De weg ernaartoe had twee bochten naar rechts en één naar links.
Pasta keek vanuit haar hoek toe.
Pasta stuurde twee armen naar de doolhof. Haar lichaam bewoog niet. De armen gingen verschillende kanten op. Eén ging bovenlangs. Eén ging naar binnen.
Een octopus heeft veel neuronen. Twee derde daarvan zitten in de armen, niet in de kop. Elke arm heeft zijn eigen zenuwstelsel. Elke arm kan een probleem oplossen.
De eerste arm ging door de doolhof. Hij draaide bij de hoeken. De tweede arm vond een klein poortje. De eerste arm duwde van binnenuit. De tweede arm duwde van buitenaf. Het poortje ging open.
Read it. Then say it.
Shadow this paragraph in the PollyStop app — record yourself, see how close your pronunciation gets to a native speaker's, sentence by sentence. Free.
De arm pakte het krabvlees.
Pasta had haar lichaam niet bewogen.
Chiara bekeek haar video. "De armen hebben het eten gepakt," zei ze. "Heeft de octopus de doolhof opgelost, of hebben de armen het opgelost? We weten het niet."
Polly keek naar Pasta. De octopus trok het krabvlees naar haar snavel.